
Alles op de bon
Pauw zijn ouders waren niet rijk. Maar ook rijke mensen konden in de oorlog niet zomaar naar de winkel om alles te kopen wat ze wilden. Er was gewoon niet genoeg eten en spullen voor iedereen.De regering bedacht een oplossing: alles eerlijk verdelen. Iedereen kreeg een speciale kaart, de distributiestamkaart. Met die kaart kon je bonnen ophalen. Die bonnen gaven recht op een beetje brood, melk, groenten en andere dingen. Maar niet zomaar alles! Later kwamen er steeds meer producten “op de bon”, zoals schoenen, zeep en zelfs snoep.
Boeren mochten veel van hun eigen eten houden, maar ze moesten ook een deel afstaan. Winkeliers moesten alle bonnen die ze kregen weer inleveren bij de regering. Pas dan kregen ze nieuwe voorraad.
Gelukkig probeerden veel mensen elkaar te helpen. Boeren verkochten soms stiekem extra eten aan gezinnen, zodat iedereen kon blijven eten.
Na de oorlog kwam er langzaam weer meer te koop in de winkels. Toch bleef veel nog lang schaars. Dat betekent dat er te weinig van was. In 1948 wilde Pauw nieuwe schoenen kopen. Hij moest daarvoor een bon inleveren én bijbetalen. In brieven van Pauw en Willy staat dat er in februari 1948 voor fietsen, fietsbanden, kopjes en borden geen bonnen meer nodig waren.