We trekken maar wat appels
Vanaf 2 oktober waren ze nog maar met z’n drieën: Pauw, Simon en Piet. Op de boerderij was het eerst nog betrekkelijk rustig. De bommen vielen ongeveer een kilometer verderop, maar het gevaar kwam steeds dichterbij.Ze maakten een bunker klaar die de Duitsers eerder in een dijk hadden gebouwd. Ook konden ze brieven schrijven, die via het Rode Kruis naar hun ouders werden gestuurd. Daarin vroegen ze: moesten ze hier blijven of toch proberen over te komen?
Op 6 oktober gingen ze samen naar Waterlandkerkje voor brood en post. Voor Pauw was er geen brief, maar Simon en Piet kregen wel post. Toen ze terugliepen, vielen er granaten op slechts 300 meter afstand.
Een dag later kwamen er nog twee broers van de boer met hun gezinnen naar de boerderij, omdat het daar veiliger leek. Zo waren ze opeens met 37 mensen: zes gezinnen plus Pauw, Simon en Piet.
Er werd een schuilkelder gebouwd, met balken eroverheen. Toen ze hoorden dat de Duitsers zich terugtrokken, sliepen ze in de graanopslag. Pauw schreef: “… ze hebben ontzettend veel geschoten. De granaten vielen dichtbij. Toch hebben we goed geslapen, ik heb op wat pakken graan gelegen met een wagenzeil over mij.”
Maar de Duitsers bleken toch dichtbij. Daarom versterkten ze de schuilkelder opnieuw.
Op 10 oktober schreef Pauw zijn laatste zin in het dagboekje: “Dinsdag hebben ze Oostburg weer ontzettend gebombardeerd en beschoten met vliegtuigen. Het is bijna helemaal verwoest, behalve het ziekenhuis, dat hebben ze ontzien. We trekken, als het een beetje stil is, maar wat appels.”
Dat was de laatste zin van Pauw zijn verhaal. En juist vanaf die dag werd het nóg spannender. Lees verder
